Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben, en »ls wjj het u zonneklaar aantoonden, dan naamt gij eene gedaante aan, dat gij het dan maar in de lietde wildet geloven en veroordeelen; en was zulks nu weder eene t«d verleden en het kwam by toeval in een gesprek in te vloeyen, dan ontkendet gij zulks weder opnieuw. Zulke en diergelijke dwalingen zjjn my vele bekend. Waart gjj nu 7,00 vergoddelijkt, dat gü niet meer vatbaar waart voor dwalingen, hoe zoude dan niet vooral in deze mindere dingen, de bedachtzaamheid en wijsheid over u de wacht houden, en hoe zoudt gij dan niet met voorzigtigheid, wandelen om uwen broeder of zuster, die minder in de kennisse was dan gij, door uw gegeven gedrag niet te ergeren, daar het zoo moeyelijk is voor een hart dat minder kennis heeft, om eene gegeven ergernis te overwinnen!

GÜ zult in uw hart wel overtuigd zjjn, dat ik in dezen de eenvoudige waarheid schrijf, zoo bid ik u dan nogmaals, laat dit dienstbaar zijn, om u te vernedaren onder de krachtige hand Gods, opdat g« weder eene plaats moogt verkrijgen, onder ons midden. Wjj rekenen u de minste schuld niet toe! Dewijl het ander onzer zielen vast legt in k in dezen grond dat alles uit, door en tot God is; dat Hem, met eerbied gezegd, dat God den dwalende is, en dat Hij doet dwalen !

Ja, wat meer is, mijne geliefde afgedwaalde zuster, al was het dat wy door deze uwe dwaling geheel en al verwoest en uit een gedreven wierden, dan willen wij nogthans niet aan u geërgerd zijn, maar met innerlijke ontferming over u zyn aangedaan, en niet ophouden met voor u te bidden ; hoewel ik u moet zeggen, ik rnjj aan de) verklaring met mijn gansche bart moet houden, dewelke ik met mijne geliefde broeders en zusters heb onderschreven, maar door dezen kan ik myn hart nader aan u verklaren, en betuig u dat het in liefde en ontferming voor u gloeit.

Kom dan, weleer geliefde Zuster Mietje! laat ik u weder aan rnyn hart drukken, als eene berouw hebbende zuster over uwe dwaling. Mijne bede en wensch is, dat onze Hemelsche Vader u daartoe den geest schenken mag, en in deze hoop wil ik dan eindigen en teken my met innerlijkste aandoening over uwen stand, en vooral daar wy des te meer gevoelen en aangedaan zijn, naar den rang, dien gij onder ons midden bekleed hebt. Wat is myn hart vol van u ! Wat zoude ik u niet vele wijze lessen willen toedienen, zonder uwen stand of rang te willen benemen of my te verheften, en wat zoude ik u niet ondergeschikt by vele gewezen misstappen in uw bestuur willen bepalen, indien het niet te wijdlopig wierd, dan zoude het my niet te veel zyn, indien uwen geest maar zoodanig vernederd was, dat gy het van my kondt aannemen of er ten minsten eens zonder verheffing over denken. ik wil het dan in dezen hierby laten, en blyf met al myn hart, uwe heilzoekende zuster in den Heere, in de hoop, dat gij u welhaast wederom waardig zult maken, om met dien dierbaren naam genoemd te kunnen worden !

(Get.) H. Valk, geb. van der Gyp.

P. S. Wat zal ik van omen afgedwaalden broeder uwen medepligtigen

Sluiten