is toegevoegd aan uw favorieten.

De Zwijndrechtsche Nieuwlichters

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet niet noodig was meer te bidden, alles te mogen verrigten door de verbeelding dat mij alles rein was en geheel aan God toebehoorde... 't was ook waar, dat God in mij was, maar ik was nog niet in Hem." (')

Zuster Valk schrijft aan zuster Mets: „zegt men nu : wij zijn kinderen der vrijen, wij staan niet meer onder de wet van „raakt niet, noch smaakt niet", dit heeft eene gansch andere bedoeling, ziende op de besnijdenis, vastendagen, onthouding der spijzen. Maar dezelfde Apostel vermaant vooral, dat wij onze vrijheid niet zouden gebruiken tot eene oorzaak voor het vleesch... wil men in dezen gebruiken, dat de bedeeling nu meerder is, en dat alles nu vergoddelijkt moet worden, dan zeg ik: moet dan deze meerdere bedeeling het goddelijke met het dierlijke vereenigen.3 Indien het zoo goddelijk is, dan is het wonder, dat Jezus ons daarin niet is voorgegaan .. men zal best doen, om wet en Evangelie op aarde altoos te zamen te binden. Leest men niet in de Openbaring van Joh. dat de Regtvaardigen voor den troon zongen het gezang van Mozes en het Lam. Bonden die het nog? Dat dan de aardsche niensch het toch in dit werktuigelijk ligchaam niet ontbinde." (2)

In deze dagen van strijd bezocht Maria nog eens de Mijdrechtsche afdeeling. De ontvangst was, zooals we kunnen begrijpen, niet vriendelijk. Valk schrijft:

„M. Leer is den 18en dezer des morgens bijna 11 ure bij ons van Amsterdam gekomen. Zij heeft zich als een God in den Tempel, in het midden onzer geplaatst en heeft ons uit dien antichristischen, ontkennenden, vijandigen en heerschenden geest ons allen willen leeren en regeren, waartegen alle broeders en zusters met medelijden en in de liefde hebben getuigd, doch te vergeefs.

Zaturdagavond om 8 ure is B. Valk te huis gekomen, die ze allen in huis en ook haar groette. Hij vraagde aan M. Leer, wie haar in het midden van de tafel had geplaatst, dewijl zij daar niet hoorde en of zij wel van de tafel op eene andere plaats wilde gaan zitten, waarop zij zeide: wel neen! Ik zal van mijn Vaders tafel gaan, dat kan je begrijpen.

(*) Üopieboek A hlz. 8. Maart 1834.

(•) Copieboek A bla. 54. 1 April 1834.