Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van mistasten is geen sprake; Adam greep immers ook het door God verordende middel tot ontwikkeling aan ?

Heeft Muller niet gezegd, dat zonder zonde die ontwikkeling niet mogelijk was?

Muller wil het „kiezen" reduceeren tot een kiezen van de middelen, maar ook die vrijheid past niet in zijn kader. Adam kon niet mistasten, hij kon geen omweg maken in zijne ontwikkeling. De mensch kon niet „schadelijk werkzaam" zijn.

Heystek heeft een gelijke beschouwing omtrent het wezen van den zondeval. Ook volgens hem ontstaat de zonde uit den door God gewilden en den mensch ingeschapen goeden drang tot volkomenheid. Alleen isHeystek wat naiever inde questievanhet ontstaan.

„De zonde is vanzelve ['] uit de schepping moeten voortvloeijen,'dewijl de mensch met eene zucht naar meerder volkomenheid en gelijkvormigheid aan God geschapen is, doch daar hij door ondervinding niet geleerd had om «lit alleen bij God te zoeken, zoo is dat goede hem zelfs ten dood geworden" (') en „door het gebod ging Adam nu meenen, dat zijn geluk of ongeluk van hem afhing." (s)

Muller c.s. doen geen pogingen om het bestaan van den Satan te verklaren. Onbevangen spreekt Muller van : „eenen verleider, die het geluk van den mensch, waarin hij tot nog toe deelde, benijdende, al zijne uitgezochtste plannen ter verleiding in het werk stelde, om den val te volmaken, en den mensch het Getuigenis Gods uit een verkeerd oogpunt te doen beschouwen, en voor te stellen, alsof God des menschen meerdere volmaking misgunde, hetwelk hem gelukte. Nu was des verleiders oogmerk, zooals hij meende, om eens zijne heerschappij over alle Gods schepselen te verzekeren, en den mensch zoo ongelukkig te maken als mogelijk was, voor altijd bereikt; doch alhoewel de Satan het ten kwade dacht, Hij, die alles gemaakt had om te volmaken, dacht het ten goede." (3)

We voelen, dat Muller hier niet kon blijven staan. Hij kon niet zeggen „God werkt des Satans booze werk om ten goede" — God werkt zelf door den Satan, ook Zijne schepping.

['] Ik cursiveer, en uiork alleen op, dat het „vanzelve" zoo ergens, dan zeker in deze steer van gedachten een „deus ex machina'' is.

(') Heystek, ,.De ware leer der zaligheid" vraag 7.

(*) id. blz. 21.

(») E. E. blz. 23.

Sluiten