Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan denk ik — menschen, menschen, wat een dienst hebben die Dageraadsmannen jelui gedaan." (')

Maar aan de andere zijde kon Maria evenmin geheel instemmen met het spiritisme: „want het onderstelt persoonlijk voortbestaan en daar kan ik me tot nog toe niet mee vereenigen. Ik geloof daarom toch wel aan het Eeuwig leven, en heb er geen bewijs voor noodig; want ik voel, dat ik er in deel en in tehuis behoor, en dat het er, als wij in het graf gelegd zijn, maar op aan komt, wat we voor het eeuwige leven hebben tot stand gebracht. Mijn man sprak ook altijd van weerzien, maar de lichamen gaan toch maar tot andere lichamen over, het geestelijke is alleen blijvend. Ik heb het wel degelijk ondervonden bij zijn sterven, hoe zijn geest in den mijne bleef woning maken. Ik heb hem er te liever om gekregen, en als je me vraagt: zou je 'm willen weerzien ? dan zeg ik : neen !" (2)

Toch trok het spiritisme Maria sterk aan en onder haren kring stond zij in deze neiging niet alleen.

Ik heb nog wel vernomen van verschillende séances ten huize van een der broeders, waar zelfs een der zusters dienst deed als medium; en wij zagen, dat van der Laan in een latere periode nog een verdediging van het spiritisme schreef, onder den titel: „Spiritisme en godsdienst". (1875)

Maria is zelve ook nog aan het schrijven gegaan. In het reeds vermelde tijdschrift „de Dageraad" schreef zij een stukje, getiteld : „Hoe komt men tot de waarheid? (3)

Wij geven dit artikeltje volledigheidshalve in zijn geheel weer :

aan de redactie van de dageraad.

Hier zend ik U een stukje, daar ik in uw geacht blad gelezen heb, dat ook eenvoudige stukjes worden aangenomen ; het is wel door een onbekwame en ongeleerde, maar toch uit opregtheid des harten en door ondervinding geleerd. Vindt gij het de moeite waard, om het een plaatsje in uw nommer te geren, 't zal mij aangenaam zijn; z>0 niet zal ik mij aan uw oordeel onderwerpen ; ik heb mijn hart ontboezemd.

m. l.

HOE KOMT MEN TOT DE WAARHEID ?

In de eerste plaats, door deze woorden te onderzoeken en den zin daarvan na te sporen, dat alles uit God, door God en tot God is. Onderzoek ik nu, of in die woorden een grond ligt, waarop ik my kan vertrouwen, dan antwoord ik mijzelf van ja, want hoe hooger ik opklim en hoe ver de rekenkunst zich

(') Anagr. blz 124.

(') Anagr. blz, 125.

(») Dageraad 1863 (16e deel nieuwe «erie dl. 2) blz. 83 er.

Sluiten