Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spink haalt, in zijn biographie van Hofstede de Groot (') deze verhouding besprekende, met instemming een gedeelte aan uit prof. Reitsma's „Geschiedenis van de Hervorming en de Hervormde Kerk" : „Het is een misverstand de Groninger School te houden voor de bakermat en oorsprong van de moderne richting... enz." en dan redeneert de schrijver in het vervolg verder, alsof er geen de minste samenhang ware tusschen Groningen en modernen — ja, alsof de moderne richting niets van Groningen had ondervonden dan... s t r ij d.

Of, met de woorden van prof. Reitsma; „Zij [de Gron. School] heeft ook de nieuwe richting, die hare rijen dunde, met sniart gadegeslagen en met ijver bestreden". Maar... wat dan volgt in den tweeden druk van Reitsma's „Geschiedenis" (2) heeft Heersspink niet: „De Groninger Godgeleerden hebben door hun moedig opkomen voor de vrijheid der wetenschap het pad gebaand voor lien, die na hen kwamen."

En dat zijn ze geweest — wegbereiders, misschien tegen wil en dank, toch zeer werkelijk.

Hofstede de Groot had er een voorgevoel van:

„Onze zienswijze kan of mag niets anders zijn, dan een tijdverschijning voor een aantal jaren nuttig werkende en dan, terwijl de eeuwige beginselen en grondwaarheden door haar in 't licht gesteld, het gemeengoed der Kerke worden, zelve als iets bijzonders voor iets nieuws en beters wijkende". (3)

Toch ging het een anderen kant uit, dan hij had gehoopt; een tijdverschijning was de Groninger School en als een profetie was ook da Costa's woord : „als de noodwendigheid der consequentie zich doet gelden verliest deze, hetzij dan Theologie of Philosophie, hare kracht, althans van begoocheling." (4)

Waar de Groninger school op moest uitloopen was reeds gegeven in de lijn der ontwikkeling door Hofstede de Groot aldus aangewezen : „Wessel Gansvoort, Erasmus, Episcopius, Limborch en ... Remonstranten" en „waren de Remonstranten niet wederregtelijk en onchristelijk uit de Hervormde Kerk geworpen, dan zoude eene eigene Nederlandsche Theologie hebben kunnen ontstaan." (5)

(>) blz. 252.

(*) blz. 415. (*) Uron. godgel. blz. 247.

(*) Eenige opmerkingen blz. 3.

(5) (irou. godgel. blz 213.

Sluiten