Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoogen Raad een geval analoog aan onze casus positie ter beslissing werd voorgelegd. Zijn overweging daarbij is echter duister en niet onmogelijk is het, dat hij zich heeft laten meeslepen door een blijkbare verwarring van begrippen, waaraan de procureur-generaal zich schuldig maakte in zijn conclusie.

Sedert bleek dan ook de Hooge Raad weer teruggekeerd te zijn tot zijn oude opvatting. Maar het arrest van 1898 was de aanleiding dat de Hooge Raad in het slot van zijn arrest van 8 Juni 1906 duidelijk zijn meening uitsprak omtrent de positie van derden, die niet onteigend worden.

Trachten wij thans op te sporen, hoe de Hooge Raad zijn eerste beslissing motiveert, dan blijkt, dat hij dit uitvoerig reeds deed in zijn arrest van 27 Augustus 1874 1).

overwoog hij: „dat ingevolge die wet het bestaan van een spoorweg „wel beperkingen in het vrij gebruik der daaraan belendende eigendommen medebrengt, maar voor alle gronden, die aan den spoorweg ..komen te belenden, hetzij de spoorbaan loopt over niet onteigende „of over onteigende perceelen en in het laatste geval, onverschillig ..of onteigenden dan wel andere personen gerechtigd zijn tot de belendende gronden, dat dus voor de eigenaren van deze laatste eene „beweerde waardevermindering daarvan uit dien hoofde nimmer is een „noodzakelijk gevolg van ondergane onteigening".

Erg duidel\jk is dit niet. Want moet men hieruit opmaken, dat niet vergoed mag worden de schade geledeu tengevolge van het wettelijk servituut, dat bij de totstandkoming van de spoorbaan op de aangrenzende bouwterreinen komt te rusten, dan blijft nog onverklaard, waarom dat wettelijk servituut nimmer een noodzakelijk gevolg van de ondergane onteigening kan zijn.

Of moet als reden gelden het feit dat anderen, die niet tot de onteigenden behooren, ook dien last moeten dulden zonder schadevergoeding te ontvangen?

') w. 3755. In zijn geheel aangehaald b\j Mr. Thorbecke op blz. 216.

Sluiten