Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor het geval eener onteigening ten behoeve van het graven van een kanaal had de Hooge Raad te beslissen, of ook het gevaar van afbrokkeling en afspoeling in rekening gebracht mocht worden, waaraan het overblijvend deel van zeker eigendom zou blootstaan, wanneer met het onteigend goed gehandeld werd als waarvoor men het verlangde.

De Rechtbank had die schade in aanmerking genomen op grond van art. 41 der Onteigeningswet, en terecht volgens den Hoogen Raad; overwegende „dat niet alleen „de overgang van het onteigende op den onteigenaar, in „casu door overschrijving in de openbare registers, is het „noodzakelijk gevolg der onteigening; maar dat zulks ook „is de verwezenlijking der bestemming van het onteigende, vermits toch, zonder die verwezenlijking de ge„heele onteigening zou erlangen eene andere strekking „dan waarvoor zij is te baat genomen en kan worden aan„gewend."

De „verwezenlijking der bestemming" noemt de Hooge Raad ook „noodzakelijk gevolg der onteigening"; niet alleen de eigendomsovergang door overschrijving in de openbare registers.

Of de Hooge Raad den aard van beide gevolgen op één lijn heeft willen stellen, meen ik te mogen betwijfelen. Immers in het vervolg van hetzelfde arrest heet het: „dat derhalve onteigening en uitvoering van het ont„worpen werk, waarvoor gene geschiedt, onafscheidelijk „zamenhangen, en dat even daarom bij art. 41 is bedoeld „alle daarbij aangeduide waardevermindering, die het noodzakelijk gevolg is van het een of van het ander; dat het „art. dan ook alléén gewaagt van het noodzakelijk gevolg „der onteigening in het algemeen en dat het dus van zelf

Sluiten