Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit blijkt ook uit de geschiedenis van ons onteigeningsinstituut. Aan Frankrijk danken wij deze grondwettige beginselen op dit punt. De onteigening wordt beschouwd als „une exception constitutionelle et légale & la garantie du droit de propriété"1). Men wilde het private recht der burgers in bescherming nemen tegenover de uitvoerende macht.

Deze bedoeling blijkt ook uit de plaatsing van art. 151 bij de artt. 156, 157, 158 en 1592).

Op twee punten heeft de wet zekerheid willen verschaffen.

In de eerste plaats, dat werkelijk het algemeen nut de ontzetting vordert.

Ten tweede, dat men geen verrijking ten koste van den ontzette op het oog heeft gehad. Het moge waar zijn, dat in handen van een ander aan het goed een bestemming ten deel zal vallen, waardoor het algemeen belang meer bevorderd wordt, dat algemeen belang behoeft en mag nooit een economische benadeeling van den onteigende ten ge-

') Vgl. G. de Weis.i „De 1'expropriation pour cause d'utilité publique". Lausanne 1897 p. 15.

Voor het eerst werd de Grondwettige betaling over onteigening in ons land ingevoerd door de Staatsregeling van 1798 by haar art. 40 der Burgerlijke en Staatkundige Grondregels. Dit artikel was vrijwel een vertaling van art. 17 der „Déclaration des droits de l'homme et du citoyen'' van 26 Aug. 1789, waarop sterk den invloed der wijsgeerige leerstellingen der natuurrechtelijke school van de 17de en 18de eeuw heeft ingewerkt, die de onaantastbaarheid van den particulieren eigendom verklaarden tot een recht, dat de mensch van nature bevat en welke zelfs door de absolute monarchie geëerbiedigd moest worden.

2) Zie J. T. Buys „De Grondwet" Tweede deel. Arnhem 1887 blz. 233 vlg.

Sluiten