Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo komen wij tot de bespreking van de tweede vraag, welke zich bij de behandeling van art. 41 opdoet, wat moet men verstaan onder „onteigening"?

Gaan wij na, wat er geschiedt in het geval iets onteigend wordt, dan zien wij, dat steeds een „overgang"' van eigendom plaats heeft. Art. 59 al. 2 der Onteigeningswet bepaalt, dat het te ontvangen zaaksgenot volledig zal zijn. In verband hiermede kan men de onteigening een originaire wijze van eigendomsverkrijging noemen. Door nadruk te leggen juist op de verkrijging van den eigendom om het goed ten algemeenen nutte te gebruiken moet men het principieel onderscheid zoeken tusschen een onteigening en een politie-rechtelijke eigendomsontzetting 1). De wet zelf, daartoe door de grondwet genoopt, gaf aanleiding tot verwarring door een regeling van de ontzetting uit den eigendom van besmette goederen als hoofdstuk II in titel II der Onteigeningswet op te nemen. Wel kan men hier desnoods nog de vernietiging der besmette zaken als een daad van eigendom beschouwen, maar dit lag reeds in de politietaak der regeering opgesloten voor het geval de openbare orde en veiligheid dit eischte. Bij de eigenlijk gezegde onteigening heeft men geen vernietiging van het in eigendom verkregen goed op het oog; maar men belooft het weer ten algemeenen nutte te gebruiken 2).

') Onvolledig is daarom de meening van hen, die in een onteigening slechts een „ontzetting" uit den eigendom zien, zoo b.v. Mr. Thorbecke, zooals wij boven zagen, en de afgevaardigden der 2e Kamer der Staten Generaal Van Doorn en Van Idsiiiya tijdens de algemeene beraadslagingen over de wet ter afschaffing der Tienden. (De wet van 16 Juli 1907. Stb. n<>. 222.)

2) „Het doel is niet, iemand iets te doen verliezen, maar een ander

Sluiten