is toegevoegd aan uw favorieten.

Iets over het arrest van den Hoogen Raad van 8 Juni 1906 omtrent artikel 41 der Onteigeningswet en over den omvang der bevoegdheid van het bestuur eener naamlooze vennootschap om haar te vertegenwoordigen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nadeel door het werk veroorzaakt worden zal, daarom echter kan men dat nadeel nog wel ten naasten bij begrooten uit elders opgedane ervaring bij soortgelijke werken b.v. En al is dit niet altijd mogelijk, de door de wet verplichtend gestelde deskundigen zullen deze toch wel kunnen schatten.l) In elk geval is behalve de aard, de strekking en de algemeene richting van art. 10 nog een ander meer stellig gegeven in de wet te vinden n.1. de speciaal door den Koning aangewezen perceelen volgens art. 14. — Wanneer de Koning niet binnen acht maanden deze aanwijzing heeft gedaan, vervalt de wet, waarbij het algemeen nut verklaard is; want dan kunnen intusschen reeds de omstandigheden zich gewijzigd hebben, die den wetgever de onteigening deden goedkeuren. Voor een daarop volgende nieuwe wet zullen weer de bij art. 5 vlg. voorgeschreven formaliteiten in acht genomen moeten worden. —

Vreemd komt mij voor de redeneering van Mr. T/torbecke boven vermeld als zijn zesde argument. Omdat later kan blijken, dat de schadeloosstelling te laag, maar ook dat zij te hoog bepaald was, daarom moet onder art. 41 niet begrepen worden de vergoeding van schade door het werk te veroorzaken.

') Mr. v. Woiidenl/eri/ Hamstra vindt op blz. 96 de regeling van den H. E. daarom halfslachtig en zegt: „Is het dan niet veel gemakke■'ijker zich de gevolgen der onteigening alleen, waarvan men nauwkeurig weet hoever zij gaan zal, voor te stellen, dan daarbij tevens ..in aanmerking te nemen de gevolgen van het werk, waarvan de wijze „van uitvoering nog niet vaststaat?"

Het is echter niet de vraag wat i/cmakkef ijker, maar wat rechtens eerschuldigd is. Juist in het geval door den H. B. op 8 Juni 1906 beslist ziet men, dat soms met juistheid de schade te begrooten is.