Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar een begrooting is immers uit den aard der zaak een „ongeveer", een „gemiddelde"' en daarvoor zijn de door de wet gewilde deskundigen. Stond alles vast volgens prijscourant b.v. dan zou de rechter de schatting wel zonder deskundigen af kunnen doen.

Ons rest thans nog Mr. Thorbecke'.s zevende argument te bespreken. Voor zoover gezegd wordt, dat de Hooge Raad in zijn stelsel schade veroorzaakt door den aanleg van publieke werken gaat vergoeden, heeft Mr. Thorbecke ontegenzeggelijk gelijk. Uit het slot der aanhaling blijkt echter, dat het bezwaar meer ligt in de onbillijkheid, welke hierdoor ontstaat tegenover derden, die geen vergoeding ontvangen voor dergelijke schade.

Maar moeten daarom de onteigenden hieronder lijden?

Het strenge onderscheid, dat de Hooge Raad maakt tusschen de onteigenden en derden wordt hem geboden zoowel door het stelsel der wet, dat alleen den eigenaar van het goed een schadevergoeding toekent en slechts enkele met name genoemde derden, als haar geschiedenis.

Uit de rede van den afgevaardigde van Arnhem, den heer van Lynden. in verband met die van den heer von Goltstein en het daarop gevolgde antwoord van den minister blijkt: *)

M Zie Bijl. Hand. 1850/51 blz. 1204. Van Lynden zegt ter gelegenheid van de algemeene beraadslagingen omtrent art. 41 o.a.:

„Als men werkelijk verlangt schade te vergoeden, waar schade gegleden is. dan geloof ik evenwel, dat men nog iets verder zou moeten gaan.

„Het geval, dat het wetsontwerp hier op liet oog heeft is. dat het „goed van een eigenaar gedeeltelijk onteigend wordt, gedeeltelijk niet, ..en dat voor de verminderde waarde van het niet onteigende gedeelte „schadeloosstelling wordt verleend.

„Nu kan zich echter ook het geval voordoen, dat iemands goed

Sluiten