Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit te oefenen op toekomstige deelnemers. Dat men een zoodanige meening was toegedaan is zoo vreemd niet, wanneer men in aanmerking neemt het toen ter tijde algemeen gekoesterde wantrouwen tegen de naaml. venn.

Want gaan wij den toestand in Frankrijk na, dan zien wij, dat onder het „ancien régime" met zijn vroegtijdig reeds ver doorgevoerd centraliseerend absolutisme geen sprake was van een volledige vrijheid van associatie. Eerst de revolutie met haar adagium „liberté, égalité etfratemité" heeft haar gewild, opdat de industrie zich vrij zou ontwikkelen 1). Terstond maakte men misbruik van de gelegenheid, die de naaml. venn. aanbood om beursspel in actiën te drijven. Wij zien dan ook bij decreet van 26—29 Germinal an II de Conventie krachtig ingrijpen. De bestaande compagniën, zooals de naaml. venn. ook hier genoemd werden in navolging van de groote compagnieën onder het ancien regime, werden ontbonden en voor het vervolg de oprichting van nieuwe niet dan bij een wet toegelaten. Zij vond de maatschappij op aandeelen gevaarlijk voor het staatscrediet.

Aan de behoefte van het verkeer intusschen bleek de wetgever in Frankrijk niet lang weerstand te kunnen bieden. Het Directoire liet de naaml. venn. twee jaren later weer toe bij decreet van 30 brumaire an TV, maar zonder haar wezen te omschrijven. De rechterlijke macht bleek haar nog niet goed te begrijpen; immers somtijds verklaarde zij de aandeelhouders solidair aansprakelijk 2).

•) Zie de Fransche wet van 2 Maart 1791 met haar proclamatie van de vrijheid van industrie aangehaald bü Lyon-Caen et Renault „Traité de droit commercial", Paris 1900. Tome I n°. 41.

2) Zie t. a. p. Lyon-Caen et Renault, II n°. 667.

Sluiten