Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Is het daarom wel wenschelijk dat de wetgever het handelen met een vennootschap aan belemmeringen onderwerpt? Zal dit niet te bezwarend blijken in de praktijk van den handel, welke immers alleen kan bloeien, wanneer vele transacties vlug worden aangegaan?

Wel wordt het bezwaar minder naar mate derden roekeloozer handelen, maar de wetgever mag hierop toch niet rekenen.

Intusschen meen ik te moeten vreezen, dat onderscheidene redenen aan te voeren zijn waarom in de praktijk velen een inzien der statuten zullen nalaten. Afgezien nog van de moeite en het tijdverlies, dat het ten gevolge zal hebben en dat men niet altijd bij de vennootschap in rekening kan brengen, is het gevaar niet denkbeeldig te noemen, dat men moet beginnen met het geven van een bewijs van wantrouwen aan het bestuur, waarvoor menige koopman terug zal schrikken, gedrukt als hij wordt door de concurrentie van anderen. Bovendien hoe licht kan het niet voorkomen, dat men van meening verschilt over den juisten omvang eener toegekende bevoegdheid, welke immers in de meeste gevallen in ruime termen gesteld zal zijn. •) Want dikwijls is de lastgeving zoo ruim mogelijk, ten einde het bestuur de noodige vrijheid van beweging te vergunnen. Dit ligt in den aard der naaml. venn., waarvan de vennooten zelf meestal niet op de hoogte zijn van het beheer der zaak en dit ook niet kunnen zijn. Een der redenen, waarom

*) Zoo wordt wel de term „gewone werkkring der naaml. venn." gebezigd. — vgl. het vonnis van de Arnhemsche rechtbank van 25 Juni 1903 w. 7965. Vgl. verder de opgave van statuten bij van Nierop en Baak.

Sluiten