Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deling voortvloeiden, niet alzoo, omdat ze ook werden gewild. Ik voor mij zoude daarom hier ook liefst geen wilsovereenstemming tot schenking willen aannemen en daarom ook geen schenking. Maar, zoude men misschien kunnen vragen, moogt ge wel wilsovereenstemming tot schenking blijven handhaven als vereischte voor het bestaan eener schenking, wanneer het geldt het ruimere materieele begrip? Immers, dan zijn voor het bestaan eener schenking de economische gevolgen beslissend : overal dus, waar eene verarming eenerzijds staat tegenover eene verrijking anderzijds, is schenking aanwezig, al ware zij door partijen ook niet gewild. Men vergete echter niet, dat wij, sprekende van het juridische schenkingsbegrip het oog moeten hebben op die verhoudingen tusschen do partijen onderling, waaraan naar de maatschappelijke opvattingen de beteekenis van eene schenking wordt toegekend. En nu geloof ik niet, dat er in bovengenoemde gevallen ooit in de praktijk van ons maatschappelijk leven van eene schenking zoude worden gesproken.

Men vervvijze ook niet naar de artt. 42 F. W. en 1877 B.W. Het zijn, zooals Mr. Libourel het uitdrukt, sclienlcingsregels en daarin zult ge tevergeefs zoeken naar de wilsovereenstemming tot schenking. Er wordt alleen gesproken van de wetenschap der beide partijen van de benadeeling der crediteuren, hetgeen de wetenschap van bevoordeeling ten koste van den debiteur insluit, maar geenszins dat de wil daarop gericht is. Doch ik zoude

Sluiten