is toegevoegd aan uw favorieten.

Schenking

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gestichten de macht zal hebben verleend om die giften aan te nemen, eene bepaling, welke overeenkomt met het voorschrift, vervat in art. 947 B. W., waarbij dezelfde machtiging wordt vereischt voor makingen bij uitersten wil. Het oud-Hollandsch recht ging hierin verder dan onze wet, door liet volstrekte verbod om onroerende goederen bij testament te maken aan geestelijken of geestelijke inrichtingen. 1)

üe grond dezer bepaling dient men weer te zoeken in de economische gevolgen der schenking. Men vreesde benadeeling der toekomstige erfgenamen door al te groote mildheid van den schenker en opeenhooping van kapitalen in de „doode hand", waarvan een langdurige onttrekking van goederen aan het maatschappelijk verkeer het gevolg zoude zijn.

Dat deze gevaren niet alleen te duchten zijn in do gevallen, waarin vnn formeele schenkingen sprake is, is duidelijk en spreekt ook uit het bovengenoemde art. 947 B.W., waarin de ruime uitdrukking wordt gebezigd : ,,maltingen (en behoeve11 van bedoelde gestichten en instellingen. Elk voordeel alzoo, hetwelk bij testamentaire beschikking wordt toegekend, kan niet worden aanvaard, dan na bekomen machtiging van den Koning. Doch wanneer dit zoo is, dan is het ook alleszins in overeenstemming met de ratio juris, dat het voorschrift van art. 1717 B. W. worde uitgebreid tot alle acton onder

') De Groot. Tnl. IT, 10 § 3.