Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inderdaad, en B wordt in werkelijkheid verrijkt, doch de handeling ging niet tusschen A en B, maar alleen tusschen A en den debiteur, zoolang A aan B niet deed blijken van zijn oogmerk om te schenken.

Worden nu de sehuldeischers benadeeld door de handeling van A, dan zullen zij, om de nietigheid der handeling in te roepen, moeten bewijzen:

in het geval, dat er eene schenking is tusschen A en B, alleen, dat A van die benadeeling der sehuldeischers wist; ontslagen zijn zij dus van het bewijs, dat ook B de bedoelde wetenschap bezat, en in het geval, dat er geen schenking is tusschen A en B, dat èn A èn B de wetenschap der benadeeling bezaten. Immers van eenigo betrekking tusschen A en B is dan geen sprake. B ontleent dan zijne rechten niet direct aan den wil van A, maar aan het feit, dat diens hypotheek werd doorgehaald, zoodat zijn recht in rangorde steeg. Nu is het niet meer dari in overeenstemming met de billijkheid, dat op de crediteuren van A de last rust, om te bewijzen, dat ook B geweten heeft of moest weten van het nadeel, hetwelk hen door de handeling van A zoude treilen, dat ook B alzoo was te kwader trouw.

Aan het einde gekomen onzer beschouwingen over het schenkingsbegrip, zij thans onze slotsom vermeld.

Een scherp begrensde omschrijving van wat men onder eene schenking in den ruimen zin heeft te verstaan,

Sluiten