Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Joodsche Wijzen; evenals zij streeft hij naar practisch doorzicht; hij tracht de tijden en gelegenheden te kennen en te beheerschen, waarvan het welslagen van het menschelijk handelen en daarmee voor een deel het levensgeluk afhankelijk is. Maar zijn ideaal strekt zich verder uit dan het hunne. „Wat baat het ons" zoo denkt de Prediker „wanneer

w

we al goede stuurlieden zijn, en toch te beperkt van blik, om de klippen te zien, waarop het werk van ons leven later zal kunnen stranden. Wat zal er van ons worden ? Wie zal het werk, dat wij met wijsheid gewrocht hebben, erven en voortzetten ? Zal het een wijze dan wel een dwaas zijn ?" Dergelijke vragen dringen zich aan onzen denker op, en het antwoord luidt: Ondoorgrondelijk is het, aan welke omstandigheden wij en vooral, wat wij tot stand gebracht hebben, later zal zijn blootgesteld. „Wat zullen we dan doen ? Niemand kan immers den mensch zeggen, wat zijn zal."

Als Prediker nu 3:11 schrijft: „De mensch kan het werk, dat God gemaakt heeft, niet van het begin tot het einde omvatten", dan zweeft hem zeker niet als ideaal voor oogen, dat de Wijze zich met zijn gedachte verheffe buiten de perken van tijd en ruimte, ten einde alles met absoluten blik te omvatten. Wij moeten ons er ook hier voor wachten, abstracte speculaties in de gedachten van den Prediker te zoeken. Als wij ons laten leiden, niet door een Grieksch filosoof, maar door wat de auteur ons elders in zijn

Sluiten