Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

delijk in den geest van den schrijver, om de, ook nog slechts uiterlijke overeenkomst met Stoïsche leerstellingen aan afhankelijkheid toe te schrijven.

Hetzelfde geldt van de overeenkomst, die Tyler ziet tusschen Pred. 8: 12, 13, en een' derden vorm van de Stoïsche theodicee. „Den waren Wijze kan geen kwaad overkomen" zoo leerde de Stoa; en de bedoelde passage van het boek Prediker *) luidt in haren samenhang als volgt: „Aangezien het oordeel niet snel komt over hem, die het kwade doet, daarom rr>-J> der menschen vol, om kwaad te doen ;

daar de zondaar honderd maal kwaad doet en toch lang leeft — hoewel ik weet, dat het den godvreezende goed zat gaan, n.l. die voor Hem vreezen, en niet goed zal het gaan den booze, hij zal niet lang leven, evenals een schaduw, omdat hij God niet vreest.

De pericoop is een typisch staaltje van de dialektiek van onzen auteur, die voortdurend schommelt tusschen geloof en ervaring. Zij is, wat den inhoud betreft, niet Stoïsch, maar zuiver Joodsch gedacht: „Het zal den godvreezende goed gaan" staat bij Prediker gelijk met: „Hij zal lang en gelukkig leven". Voor den Stoïschen Wijze mag echter datgene, wat hem ontnomen kan worden, geen aanspraak maken op den naam ,.goed" of „kwaad'. Al het uiterlijke heeft hij buiten zijn leven gezet en een onverstoorbare kalmte blijft hij genieten, trots alles, wat hem

i) Pred. 8: 11-13.

Sluiten