Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

juist datgene, waarop het aankomt, ontbreekt. *) Wij moeten dus ten aanzien van 3:21 in het onzekere blijven. Waarschijnlijk is, dat dit geloof leefde in bepaalde Joodsche kringen, waarmee onze auteur in aanraking kwam en dat alleen door zjjn geschrift ons daaraan een' herinnering is bewaard.

Vervolgens vestigen Tyler en Plumptre onze aandacht op de levensleer, dien Prediker hier en daar ontwikkelt. Deze zou, volgens hen samenhangen met het zedelijk ideaal van de Epicureïsche school. Zoo b.v. 2:24 : „Er is niets beters voor den mensch, dan dat hij ete en drinke en het goede geniete bij zijnen arbeid". Verder 3 : 22 : „Zoo zag ik dan, dat er niets beters is, dan dat de mensch zich verheuge over zijn werk, want dat is zijn deel". Evenzoo 6:17—19: „Voorwaar, wat ik als goed, als schoon gezien heb, is dit, dat iemand ete en drinke en het goede geniete

bij zijn werk Ook wanneer God een' mensch

rijkdom en schatten gegeven heeft, en hem in staat stelt, daarvan te eten en zijn deel te nemen, en zich te verheugen in zijn werk ; een gave Gods is het

*) Tli 5'oidff tl TO lA.fl/ ion xarftapftv TO

xar&artiv dc vofx.i'QtTai (Sqotois.

Diog. Laert. IX § 73.

Ignoratur enim quae sit natura animai,

Nata sit an contra nascentibus insinuetur,

Et simul intereat nobiscum, morte dirempta, An tenebras Orci visat vastasque lacunas.

Lucretius. De Rerum Natura I, 113—116.

Plumptre, p. 137.

Sluiten