Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet, wat zijn zal; wij zijn dus aan het oogenblik gebonden en het is blijkbaar Gods wil dat wij zullen genieten, wat hy ons daarin voorzet. Deze levensopvatting vloeit van zelf uit de wereldbeschouwing van den Prediker voort.

Tegenover dit resultaat werpt een' vernuftige hypothese van Tyler geen voldoend gewicht in de schaal. Pred. 5:19 lezen we: d'nSsn vn 'a11 dn nar ro-in n1? <3 rvaS nnowa njyo. De beteekenis van de laatste helft van dit vers is niet recht duidelijk.!) Onzeker is,

wat de auteur bedoelt met de uitdrukking nnaüD njya

Mij schijnt de verklaring van Franz Delitzsch het meest voor de hand liggend2): „God beantwoordt de vreugde zijns harten"; d.w.z. God heeft daaraan welgevallen. Het is waar, parallelen uit de overige O. Tische geschriften ontbreken hier, maar dit is geen overwegend bezwaar. Het boek Prediker vertegenwoordigt een eigen taaltype en de vertaling van Delitzsch heeft dit voor zich, dat ze goed past in den gedachtengang van den auteur. Ook Tyler acht deze vertaling de juiste; „maar" vraagt hij „hoe komt Prediker aan dit eigenaardige beeld, dat de Godheid als 'tware correspondeert met de vreugde van den mensch". Dit moet volgens Tyler ontleend zijn aan de Epicureïsche filosofie. Volgens deze school leiden de goden in de tusschenwereldsche ruimten een leven

') Men vergelijke de verschillende commentaren en het reeds genoemde werk van Plumptre.

J) Kommentar, „Keil und Delitzsch".

Sluiten