Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weg de kloof overbrugd, die bestond tusschen Israël en het volk der Wijsheid; zeer zeker weinig vermoedende, dat eenmaal het historisch onderzoek zou trachten, op de basis der feiten, het bewijs te leveren van datgene, wat het abstracte denken reeds langs den weg van wijsgeerige ideënassociatie meende te hebben gevonden. Over deze Wijsheidspericoop is bet laatste woord nog niet gesproken, vooral sinds de „religionsgeschichtliche" methode ook hier voor bet onderzoek nieuwe banen heeft geopend en het aanzijn gaf aan nieuwe vermoedens en hypothesen, waaromtrent men eerst tot meerdere zekerheid zal kunnen komen, wanneer een uitgebreidere kennis van de Oostersche cultuur en van de geestelijke verkeerswegen der volkeren ons ter beschikking zal staan.

Wanneer we het 8ste hoofdstuk van het Spreukenboek met aandacht lezen, wekt deze verheerlijking van de Wijsheid onwillekeurig onze verbazing; ze steekt zonderling af tegen de practische raadgevingen, die voorafgaan en volgen ; de overgang is zoo plotseling en onvoorbereid, dat de Alexandrijnsche vertalers bet noodig hebben geacht, door een' korte inleiding deze breuk eenigszins te polijsten.*) Nog meer echter treft ons het eigenaardig karakter van deze passage, wanneer we haar beschouwen in verband met den

Tusschen vers 21 en 22 lezen we hier:

iotv ai>a/yni.u) viiiv ra xu&' ij/xtQav yipoptva,

pi>7]fiovivcsa> ra t'| cctutvoi doi^utjaai.

Sluiten