Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het resultaat, dat we reeds voorloopig bereikten, zal dan van andere zijde door de feiten worden bevestigd.

In de LXX zijn van een' dergelijke speculatie nog geen' sporen aanwezig. De vertalers — hoewel niet vrijgebleven van den Alexandrijnschen geest — vonden toch blijkbaar de Joodsche Godsvoorstelling niet zoo Gode onwaardig als hunne jongere volksgenooten.

Verder is de Alexandrijnsche zuurdeesem reeds doorgedrongen bij den Joodschen aanhanger van de Peripatetische School, Aristobulus. Dat God onzichtbaar is, dat hij in den hemel woont en met deze wereld niet in aanraking komt, is voor hem reeds een vaststaand dogma. In zijne aanhaling van het Orphische vers „itQos Aoyo/' worden vooral die verzen nader uitgewerkt, welke zinspelen op Gods onkenbaarheid. Men leze vers 15—20 van dit fragment1): Sporen van God worden gezien in de natuur, maar hij zelf is achter een' ondoordringbaren nevel verborgen. Het grootste gedeelte van deze passage ontbreekt bij Justinus Martyr. Evenzoo is vers 38 van den Joodschen interpolator. „God behoort geheel en al tot den hemel, hoewel hij op aarde alles tot stand brengt."

Hoe denkt zich de filosoof nu het werken van God op aarde? Wij mogen toch van een bij de Grieken

!) Cf. Gfrörer.

Sluiten