Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Grieksch-Macedonische periode is voor de Joodsche gemeente ongetwijfeld een tijdperk geweest van innerlijke ontwrichting. Als het Jodendom kort voor den aanvang van den Maccabeeschen opstand weer in 't licht van de historie treedt, is het den ondergang nabij. Slechts een' kleine minderheid is aan de traditie getrouw gebleven en zonder twijfel was ook zij langzamerhand opgelost in den met steeds grooter kracht binnendringenden cultuurstroom, indien niet Antiochus Epiphanes door een' onverstandige politiek den geest der reactie had wakker geroepen. Dat in dezen tijd, toen een' steeds kleiner wordende minderheid stand hield tegen den tijdgeest en met ijzeren hardnekkigheid vasthield aan het erfgoed der Vaderen, dat toen menige klacht in het hart der getrouwen is opgerezen en zich in klaagliederen uitte, dat ligt dunkt mij voor de hand. In zooverre heeft Fr. juist gezien. Waarom zouden niet vele van onze psalmen in dezen tijd zijn ontstaan, toen de gemeente door een' vreemden geest haar kostelijkst bezit bedreigd zag en hare trouwe zonen ongetwijfeld dagelijks onder smaad en afval hadden te lijden ? Maar Fr. vergeet aan den lezer mee te deelen, dat de tweespalt in de gemeente reeds veel ouder is dan de Macedonische overheersching. Uit het weinige, dat we weten van de jaren tusschen Ezra-Nehemia en Alexander den Groote, is ons bekend, dat het er ook toen in de gemeente niet zoo rooskleurig uitzag, en al wisten we van deze periode hoegenaamd niets, dan nog mogen

Sluiten