Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door luizen, daarentegen in 147,148,170,191 en 207 gemeenten ') door konijnen toegebracht.

Over hazenschacle wordt in het algemeen door de landbouwende bevolking niet geklaagd, al mogen verschillende schrijvers ook nog zulke gedetailleerde berekeningen over de schade-toebrenging door hazen hebben opgemaaktl) en al moge de zoöloog Brehm ook den staf over den haas breken met de woorden: „Der unbefangene Richter wird den Hasen unbedingt als schadliches Thier bezeichnen mussen"3). Veelmeer in overeenstemming met het bijna geheel ontbreken van klachten over hazenschade, zijn de uiteenzettingen van Japing, die zijne technische beschouwingen aldus samenvat: „Aus oben Gesagtem dürfte aberbereits zur Genüge hervorgehen, dass der Hase in volkswirtschaftlichem Interesse unsern Schutz verdient"4). Ten aanzien van de

1) Zooals uit deze cijfers blijkt en ook op bl. 58 van het Verslag over 1900 wordt geconstateerd, treedt het konijn met het jaar schadelijker en in grootere hoeveelheid op. Overigens komen de wildsoorten, die aan den landbouw schade toebrengen, nergens in massa voor. Verg. Verslag over 1899, bl. 56

2) Mr. L. U. de Sitter, De Economist 1871, bl. 677; Brehm, Thierleben. Allgemeine Kunde des Thierreichs (1883), eerste afdeeling, tweede deel, bl. 469; Reinhard, t. a. p. bl. 427 en 428, die evenwel met zijne berekeningen nog al luchtig omspringt. Anders F. J. M A. Reekers, Over eene herziening der Jachtwet, bl. 9, die het nut van dergelijke berekeningen in twyfel trekt.

3) B r e h m , t. a. p. bl. 469. Verg. Reinhard, t. a. p. bl. 432 vlg., die eene bijzondere voorliefde voor castoren hoeden gehad schijnt te hebben, immers, hoewel hij den haas voor schadelijk houdt, pleit hij toch voor zijne bescherming, daar „der Nutze des Hasen nicht sowohl in der Küche, als vielmehr bei denen Hutfabriken zu suchen ist. Dan gewis, so lange wir Hasenbiilge haben, können wir Kastorhüte machen, ohne dass wir nüthighaben uns um Canada die Halse zu brechen." Sickesz, t. a. p. bl. 68 en 69 noemt hazen en ook patrijzen schadelijk, behalve op schrale gronden, zooals bijv. duingronden, waarvan zij integendeel de waarde verhoogen.

4) Japing, Monographie „Jagd" in Handbuch der Wirtschafts-

Sluiten