Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In Schotland daarentegen wordt het wild, evenals op het vasteland, behandeld als res nullius en wordt dus hij, die de eerste occupatie-handeling verricht, daardoor ook eigenaar van het wild. Iedere grondeigenaar, die ten minste „a plough of land" bezit, is gerechtigd daarop de jacht uit te oefenen. (Scots Act 1621 c. 31)').

§ 3. Het jacht-complexen-stelsel.

De wetgevers der onderscheidene Duitsche bondsstaten (behalve, zooals wij boven reeds zagen, Oldenburg en behalve Mecklenburg, waar het feudale recht nog steeds de agrarische toestanden beheerscht,) en van de koninkrijken en landen der Oostenrijksche kroon hebben noch het publieke jachtveld-stelsel, noch een jachtrecht, inhaerent aan den grondeigendom, als basis voor de wettelijke regeling van hun jachtrecht overgenomen. De reden, die hen dreef om af te wijken van deze beide stelsels, die toch door alle eeuwen heen in alle beschaafde staten den grondslag voor het jachtrecht hadden gevormd, en om de proef te nemen met een geheel nieuw stelsel, was algemeen deze, dat geen der beide andere stelsels zich als doeltreffend had bewezen, en dat beide in de landen, waar zij golden, een sterken achteruitgang van den wildstand ten gevolge hadden. Eene, wat onze oostelijke naburen noemen „waidmannische" uitoefening van de jacht, was bij geen dezer beide stelsels te

build in my land, I have possessory property in them, for if any one takes them when they cannot fly, the owner of the soil shall have an action of trespass quare boscum suum fregit et tres pullos esperviorum suorum caepit et asportavit." Sedert dien tijd is zij als regel van Engelsch recht gehuldigd.

1) Deze Act is nog steeds van kracht. Verg. J. H. T a i t, A treatise on the law of Scotland as applied to the game laws, trout and salmon fishing (1901), bl. 4.

Sluiten