Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a recourir a des mesures législatives empruntées a des nations voisines qui ont produit, sans doute, d'excellents résultats, mais qui sont parfois bien sévères et qui ne sont pas en harmonie compléte avec nos moeurs démocratiques."

Welke zijn dan die „mesures législatives, empruntées a des nations voisines", die de Minister Mougeot niet voorde toestanden in Frankrijk geschikt oordeelde? Met de beantwoording van die vraag komen wij tot het derde der in het begin van dit hoofdstuk genoemde stelsels, het stelsel der jachtcomplexen.

De bepaling, waarmede de onderscheidene Duitsche en Oostenrijksche wetgevers hunne jachtrechts-regelingen inleiden, zou bij oppervlakkige beschouwing tot de gedachte kunnen voeren, dat het stelsel van jachtgerechtigdheid, waarop die wetten zijn opgebouwd, — al moge ook de uitwerking verschillen van die in de wetten, die wij in de tweede paragraaf van dit hoofdstuk hebben ontmoet, — toch in wezen is een jachtrecht, inhaerent aan den grondeigendom. Met bijna stereotype bewoordingen toch stellen de Duitsche en Oostenrijksche jachtwetten de verklaring op den voorgrond, dat het oude Germaansche rechtsbeginsel het leidende denkbeeld is en blijft bij de regeling van het jachtrecht; dat het jachtrecht is uitvloeisel van den grondeigendom '). Het eenvoudigst drukt zich in dat opzicht uit de Boheemsche wet2), die in haar artikel 1 decreteert: „Das Jagdrecht ist Auslluss des Grundeigenthumes."

De tusschen grondeigendom en jachtrecht geslagen band 3)

1) In Schwarzburg-Rudolstadt is de band tusschen grondeigendom en jachtrecht verzwakt door de bepaling, dat „Ausliinder und Auswartige werden durch blossen Grundbesitz und Grundeigentum in einer Flurmarkung darin nicht jagdberechtigt". (Gesetz, die Aufhebung der Jagdgerechtigkeit auf fremdem Grundeigentume und die kiinftige Ausübung der Jagd betreffend. 4 December 1848. § 6).

2) Jagdgesetz. 1 Juni 1866. (L. G. B. Nr. 49).

3) De band tusschen grondeigendom en jachtrecht is in de Duitsche

Sluiten