Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezien hebben, uit van het standpunt, dat slechts op gronden van een meer of min belangrijken omvang eene economische uitoefening der jacht mogelijk is. Indien nu de gemeente-gebieden als regel de jachtcomplexen vormen, mag de vraag niet uitblijven, of dan ook niet de gezamenlijke, in het gebied van ééne gemeente gelegen gronden, die niet om de eene of andere reden eene bijzondere positie innemen, moeten voldoen aan eene in de wet bepaalde minimum-oppervlakte? Niet alle wetten, die het complexenstelsel hebben omhelsd, oordeelen over deze quaestie eenstemmig.

Uit den aard der zaak blijft de jachtwet van de „reichsunmittelbare" stad T r i ë s thier buiten beschouwing, omdat, ook al ware het geheele stadsgebied kleiner dan een jachtterrein naar het oordeel van den wetgever behoort te zijn, deze daaraan immers toch niets zou kunnen veranderen: hij was nu eenmaal aan de plaatselijke grenzen van het geldingsgebied zijner wet gebonden. Deze zelfde reden zou ook moeten worden aangevoerd voor het ontbreken eener bepaling omtrent de minimum-grootte van het jachtgebied der gemeente We en en, indien niet in de Weensche jachtwret2) eene bepaling ware opgenomen, dat het stadsterritoir, met het oog op zijne groote uitgestrektheid, niet één jachtcomplex zal vormen, maar in „angemessene Jagdgebiete" zal worden gesplitst. Deze Jagdgebiete uit de Weensche jachtwet zijn geene deelcomplexen, zooals wij later zullen ontmoeten, maar zelfstandige publiekrechtelijke lichamen. Ieder dier bijzondere jachtcomplexen moet ten minste 115 H. A. groot zijn, tenzij „nach Massgabe der örtlichen Verhaltnisse" eene afwijking van dit minimum wenschelijk is. (§ 8).

1) Jagdgesetz für die reichsunmittelbare Stadt Triest sammt ihrem Gebiete. 6 Augustus 1895. (L. Gr. B. Nr. 21).

2) Jagdgesetz für das Gremeindegebiet der k. k. Reichshaupt- und Residenzstadt Wien. 8 December 1902. (L. Gr. u. V. B. 1903. Nr. 22).

Sluiten