Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten ») stellen, is het voldoen aan eene in de wet vastgestelde minimum-grootte *). Op gronden toch van geringe oppervlakte behoort eene economische uitoefening van de jacht tot de onmogelijkheden. Bij de behandeling van de nieuwe Pruisische jachtwet van 15 Juli 1907 werd daarop wel zoo sterk mogelijk den nadruk gelegd door den afgevaardigde, rapporteur Kaute, „dass niimlich eine ordnungsmiissige Ausübung der Jagd auf solchen Zwergjagdbezirken nicht möglich ist, sondern auf Kosten der angrenzenden Jagden erfolgt und zu einer im Interesse der Allgerneinheit unerwünschten Verminderung des Wildstandes fuhrt" 3).

Te kleine jachtgebieden brengen toch onloochenbaar nadeelen van verschillenden aard met zich. In de eerste en voornaamste plaats bestaat er eene groote waarschijnlijkheid van achteruitgang van den wildstand, doordat het jachtrecht ontaardt in een doodingsrecht; en deze waarschijnlijkheid wordt bijna tot volstrekte zekerheid door de resultaten, die, zooals wij boven zagen, in de onderscheidene staten, waar het grondeigendoms-jachtrecht-stelsel heerscht, zijn verkregen. Maar bovendien brengt een recht tot uitoefening der jacht, verbonden aan den eigendom van zelfs de kleinste perceelen, gevaren mede voor de openbare veiligheid en voor toeneming van de strooperij. Om deze redenen wordt slechts aan de eigenaren van gronden, die aan den eisch van eene bepaalde

1) Gronden, die voldoen aan de voor privatieve jachten gestelde voorwaarden, kunnen slechts dan eene privatieve jacht vormen, indien zij in eigendom toebehooren aan denzelfden persoon.

2) Volgens § 4 van de wet van 1848 vormden in SchwarzburgKudolstadt niet alle gronden, die aaneengesloten eene bepaalde minimumoppervlakte (200 Pruisische Morgen) innamen, eene privatieve jacht, maar kon „aus Gründen des öfïentlichen Wohls" alleen de Staat zyne gronden, die aan de gestelde voorwaarden voldeden, uitschakelen en reserveeren als privatieve jacht. Dit veranderde evenwel reeds door de wet van 1849, toen ook privaat-personen dit recht kregen.

3) Verhandl. t. a. p. bl. 5083.

Sluiten