Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

herbeigefiïhrt werden, welche anderswo, wo überdies noch durch das Bestehen sebr grosser Jagdbezirke neben den kleinen die Gefahren oft wesentlich gemindert sind, lebhaft beklagt werden." Zooals wij evenwel reeds boven zagen, de door den Senaat geopperde bezwaren vonden in de Bürgerschaft geene instemming en de grens van 75 H. A. werd in de wet aangenomen.

Een bijzonder standpunt nemen ten aanzien van de vaststelling van eene minimum-oppervlakte voor de privatieve jachten de jachtwetten van Beieren, Sakse n-M e in i n g e n en het Rijksland Elzas-Lot haringen in. Terwijl alle overige wetten ten aanzien van de eischen, waaraan privatieve jachten moeten voldoen, alle gronden over één kam scheren '), gaan de drie genoemde wetten van een ander standpunt uit. De Beiersche wet (art. 2 lid \ sub 3 en 4) heeft eene drievoudige minimum-oppervlakte-grens aangenomen, naar gelang de terreinen gelegen zijn in het hooggebergte — het alpengebied tusschen Berchtesgaden en Lindau — (400 Tagwerke = 136, 29 H. A.), in de vlakte (240 Tagwerke = 81,77 H. A.) '2) of bestaan uit meren of vischvijvers (50 Tagwerke —17,03 H. A.). Ook de jachtwet van Saksen-Meiningen (art. 2 sub 4 en 5) kent drie minima. Aan den normalen minimum-oppervlakte-eisch van 58H. A. zijn toch vooreerst niet onderworpen de bosschen 3), die reeds, in-

1) De jachtwet van Coburg (§ 3 lid 1) zegt nog uitdrukkelijk, dat zij voor alle „Feld-, Wald- oder Teichgrundstücke" slechts één minimum-oppervlakte-eisch vestigt.

2) Het hier gemaakte onderscheid tusschen de vlakte en het hooggebergte hangt samen met de terreinverhoudingen, waardoor 400 Tagwerke in het hooggebergte, wat de jacht betreft, ongeveer gelijk gesteld kunnen worden met 240 Tagwerke in de vlakte. Het midden-gebergte, zooals het Beiersche woud en het Fichtel-gebergte, worden bij de berekening van de minimum-oppervlakte der privatieve jachten onder de vlakte gerangschikt.

3) In Brunswyk werd volgens de wet van 1848 een onderscheid

Sluiten