Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op het starre standpunt, dat iedere feitelijke onderbreking dit ook rechtens zou doen, staat evenwel geene enkele wet. Wegen — in sommige wetten alleen publieke —, straten, wateren (rivieren, beken of stilstaande wateren), dijken spoorwegen enz. worden zoo in de verschillende wetten geacht aaneengesloten gronden niet te scheiden.

Naast het voldoen aan eene bepaalde minimum-grootte is dus de samenhang een vereischte bij de vorming van de privatieve jachten. Toch vinden de wetgevers van sommige staten het te hard, dat, indien iemand eigenaar is van gronden van meer dan de in de wet bepaalde minimumoppervlakte, die echter niet met elkaar in verbinding staan, deze gronden dan zonder meer in het gemeentecomplex zouden vallen en de eigenaar dus als zoodanig geen recht zou hebben om er de jacht uit te oefenen. De Badensche wet (§ 5) bepaalt daarom, dat in zoo'n geval de eigenaar eene overeenkomst met de gemeente kan sluiten, waarbij hem het recht tot uitsluitende uitoefening der jacht wordt toegekend op een gedeelte van het gemeentelijke jachtcomplex, waartoe zijne gronden behooren. Natuurlijk moet deze bijzondere soort van privatieve jacht voldoen aan de voor gewone privatieve jachten gestelde voorwaarden. Tegenover dit voordeel verliest de zoo geprivilegieerde uiteraard zijn recht op een deel van de opbrengsten van de jacht in het complex. Een soortgelijk stelsel komt voor in SaksenWe i m a r (§ 3 lid 2 wet 1849), waar echter te dien einde eene overeenkomst met de ingelanden moet gesloten worden.

In de derde plaats spelen bij de vorming van privatieve jachten de landbouwbelangen in eenige wetten eene groote rol en beslissen de locale agrarische toestanden over haar al of niet ontstaan. In de jachtwetten van Karinthië (§ 4) en Vorarlberg (§ 4) komt zoo eene bepaling voor, die wij nergens anders terugvinden. Indien iemand eerst na het tot stand komen dezer wetten eigenaar is gewor-

Sluiten