Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den van gronden, die aaneengesloten eene oppervlakte van ten minste 115 H. A. innemen, heeft hij wel het recht tot uitoefening der jacht, maar onder ééne voorwaarde: „als nicht durch die Ausiïbung der Eigenjagd Interessen der Landeskultur in dem betrelfenden Landesteile erheblich beeintrachtigt werden." Slechts indien mogelijke agrarische belangen er zich dus niet tegen verzetten, kan de eigenaar van een perceel, dat in samenhang de door de wet geeischte minimum-oppervlakte inneemt, in de twee genoemde kroonlanden het privilege van privatieve jacht genieten.

Al beslaan zij aaneengesloten ook nog zoo'n groote oppervlakte, toch kunnen sommige gronden, hetzij om hun vorm, hetzij om hunne bestemming, nooit eene privatieve jacht vormen. In de eerste plaats hangt dit samen met den vorm, welke van dien aard kan zijn, dat zij „wegen ihrer geringen Breite eine ordnungsmassige Ausübung der Jagd nicht gestatten," zooals het in § 4 lid 1 der Pruisische jachtwet heet. Dergelijke lange, uitgerekte strooken grond, waarop de Pruisische wet doelt, zijn wegen, dijken en rivieren en verder ook de strooken grond langs wegen, kanalen en spoorwegen. De beteekenis van deze bepaling is in verband met het uitgangspunt van de complexen-regeling volmaakt duidelijk; slechts ten overvloede wordt de bepaling dan ook nog in de Begründung toegelicht: „Eine Bestimmung, dass die Jagdausübung auf schmalen, langs der Wege u. s. w. fïihrenden Streifen nicht gestattet sein soll, fehlt in den geitenden Jagdgesetzen. Es empfiehlt sich, sie aufzunehmen, weil sonst solche Grundflachen, auf denen die Jagdausübung wegen ihrer Form tatsachlich nicht mügIich ist, doch einen eigenen Jagdbezirk bilden und mithin nicht zum gemeinsamen Jagdbezirk gehören, sondern diesen unterbrechen. Die Frage ist von Bedeutung geworden beim Nordostseekanal. Hier hat das ü. Y. G. entschieden, dass der Kanal selbst und die einen Teil von ihm bildenden Böschun-

Sluiten