Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eene totaal tegenovergestelde oplossing van het vraagstuk der gevredigde gronden is neergelegd in de jachtwet van S i 1 e z i ë (§ 8), waar de jacht op de gronden, die zoo gevredigd zijn, „dass —Zufiilligkeiten ausgeschlossen — Haarwild in diese Fliiche nicht einspringen kann", indien deze gronden door den eigenaar uit het jachtcomplex worden geschakeld, moet blijven rusten, d. i. „es darf wahrend der Dauer der massgebenden Verhaltnisse nicht ausgeübt werden". Dit zelfde stelsel is ook aangenomen in de wetten van Saksen (§11 lid 2) en S a k s e n-A 11 e n b u r g (§ 2c).

De Hamburgsche wet (§ 3 lid 2 en 3) neemt — in afwijking van de vroegere wet, waarin het stelsel was

neergelegd, dat „in seinen eingefriedigten Hüfen und Giirten

ein jeder das etwa eindringende Wild selbst erlegen" kan,— met betrekking tot het vraagstuk der gevredigde gronden, een standpunt in, dat het midden houdt tusschen de beide bovengenoemde uitersten: privatief jachtterrein en laten rusten der jacht. Op den voorgrond staat, dat in Hamburg de gevredigde gronden, de gronden, die „dauernd und vollstiindig eingefriedigt sind," tot privatieve jachten kunnen gemaakt worden. Reeds dadelijk ontmoeten wij daarbij evenwel eene groote mits, die wij in andere wetten niet aantreffen: de verleening van de eigenschap van privatieve jacht mag nooit „eine Gefahr für die in der Niihe derselben Verkehrenden" opleveren. Bovendien moet het privilege van de privatieve jacht — daarin zit het groote verschil met het stelsel, zooals het bijvoorbeeld in Pruisen wordt gehuldigd, — in ieder bijzonder geval worden verleend door de Landherrenschaft „nach Anhörung des Jagdvorstandes des gemeinschaftlicben Jagdbezirks, dem sie angehören". Niet dus door den wil van den eigenaar alleen, maar slechts krachtens eene bijzondere beschikking van het publiek gezag kunnen in Hamburg gevredigde gronden de eigenschap van privatieve jacht verkrijgen.

De bedoeling, die bij den wetgever voorzat, toen hij deze

Sluiten