Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze bepaling, die in de wet van i850 ten eenenmale ontbrak, in 1907 werd voorgesteld, was volgens de Begriindung daarin gelegen, dat „das polizeiliche Verbot des Betretens der Anlage sich nicht unter allen Umstanden als hinreichend erwiesen hat, die Jagdausübung in dem erforderlichen Masse zu verhindern" 1). In de XIII Kommission ontmoette de voorgestelde bepaling evenwel bestrijding, vooral, omdat hare werking zich niet alleen over staats-, maar over alle private ondernemingen zou uitstrekken. Het was dan ook op haar voorstel, dat de bovengenoemde beperking in de wet aangebracht is.

In de jachtwet van Elzas-Lot ha ringen (art. 1) treffen wij nog eene bepaling aan ten behoeve van de gronden, in gebruik bij de militaire macht en bij het spoorwegbestuur, terwijl in verschillende andere wetten nog uitzonderingen van minder belang voorkomen.

Deelcomplexen. Als regel vormen dus, zooals wij boven zagen, alle gronden, die niet in eene uitzonderingsbepaling vallen, een gemeentelijk jachtcomplex. De vraag doet zich nu evenwel voor, of dat jachtcomplex in zijn geheel moet worden bejaagd of wel dat het mogelijk is, dat één jachtcomplex in meerdere jachtperceelen kan worden verdeeld, dat daaruit verschillende deelcomplexen kunnen worden gevormd.

Een volstrekt verbod van het vormen van deelcomplexen uit een gemeentelijk jachtcomplex komt in geene andere der onderscheidene Duitsche wetten voor dan in die van Schwarzburg-Sondershausen (§ 8 lid 1): „Eine pai'zellenweise Verpachtung des gemeinschaftlichen Jagdbezirks ist unstatthaft". Toch laten de meeste andere wetten

1) Haus der Abg. t. a. p. Nr. 10, bl. 21.

Sluiten