Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In Pruisen heeft de Jagdvorsteher het recht om de jacht op het complex in eigen beheer te nemen of ze te laten rusten — behoudens het bovengenoemde geval — slechts „mit Genehmigung des Kreisausschusses, in Stadtkreisen des Bezirksausschusses." In Saksen-Weimar mag de Gemeindevorstand slechts van het normale geval van verpachting der jacht afwijken, indien 1°. die verpachting onmogelijk blijkt, 2°. overleg is gepleegd met de drie grootste grondeigenaren in het complex l) en 3°. de afwijking wordt goedgekeurd door den Bezirksdirektor. In Bremen eindelijk kan de regel, dat de jacht verpacht wordt, slechts worden losgelaten, indien de meerderheid der belanghebbende ingelanden, die tevens ten minste % van de gronden in het complex bezitten, daarvoor zijn.

Terwijl in Pruisen (§ 21) de wijze van verpachting der jacht wordt beheerscht door het „Interesse der Jagdgenossenschaft", stellen de meeste wetten den eisch, dat de verpachting in het openbaar moet geschieden (Saksen-Weimar (art. 8 wet 1853), Saksen-Altenburg (§ 10) *), SaksenM e i n i n g e n (art. 7 lid 4), C o b u r g (§ 10 j°. § 12), W a 1deck-Pyrmont (§ 11 lid 1), S c h w arzb u rg-S onde rshausen (§ 8 lid 1), Schwarzburg-Rudolstadt (§9 wet 1848 en § 2 verord. 1852) en de kroonlanden, waar het Kaiserliche Patent van 1849 geldt3), G a 1 i c i ë (§ 13 j°. 14), G ö r z - G r a d i s c a (§ 16 lid 1), Mahren (§ 15 lid 1), Opper-Oostenrijk (§ 15 lid 1), Silezië (§ 15 lid 1), Triëst (§ 10lid 1) en Weenen (§15lid 1).

1) Deze drie grootste ingelanden heeft de wet daarom tot overleg geroepen, omdat zij uiteraard het grootste belang hebben by eene economische behandeling der jacht in het complex. Zij krijgen door de onderhavige bepaling een eenigszins publiekrechtelijk karakter.

2) De wet van Saksen-Altenburg zegt uitdrukkelyk: „Jede andere Art der Jagdausübung ausgeschlossen."

3) Verord. Min. d. Innern. 15 Dec. 1852, § 2.

Sluiten