Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met name bekend gemaakt moeten worden aan de politische Bezirksbehörde, die van Stiermarken bovendien, dat de leden solidair aansprakelijk zijn voor de nakoming „der mit der Pachtung übernommcnen Verpflichtungen".

Volgens alle deze wetten kan eene gemeente nooit pachter zijn van een gemeentelijk jachtcomplex en evenmin — behalve volgens de jachtwet van Weenen (§ 17) — eene „agrarische Gemeinschaft" („agrarische Genossenschaft", zooals het in O p p e r-0 o s t e n r ij k (§17), of „landwirtschaftliche Genossenschaft", zooals het in Triest (§ li) heet).

Bestemming van de geldel ij ke voordeelen uit d e j a c h t. Het jachtrecht komt toe aan den eigenaar van den grond en dit jachtrecht, in de Duitsche en Oostenrijksche wetten gesteld tegenover het recht tot uitoefening der jacht, ontpopt zich, zooals wij boven reeds gezien hebben, in eene aanspraak op de economische voordeelen uit de jacht. De meeste dier wetten stellen zich dan ook op het standpunt, dat de geldelijke voordeelen uit de jacht vloeien in den zak van de grondeigenaren in het complex.

Ten opzichte van het verdeelingsplan vertoonen die wetten echter belangrijke verschillen. Volgens de jachtwetten van Beieren (art. 8), Wurtemberg (art. 5), Coburg (§ 16), Gotha (§ 18 lid 1), Sa ks en-A 11 e nburg (§ 13), Waldeck-Pyrmont (§ 17), Schwarzburg-Rudolstadt (§ 0 verord. 1855)') en van de Oostenrijksche koninkrijken en landen, behalve Karinthië en Stiermarken — waarover later —, geschiedt deze verdeeling onder de eigenaren, wier gronden gezamenlijk het

1) In artikel 8 der Sehwarzburg-Rudolstadtsche wet van 1848 was bepaald, dat de vergadering der ingelanden zon beslissen over de bestemming der uit de jacht opgekomen gelden.

Sluiten