Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bestuur der jachtcomplexen. Bij de organisatie der jachtcomplexen wacht eene vraag reeds lang op eene oplossing, eene vraag, die zich toch als het ware van den beginne af aan op den voorgrond dringt, namelijk: bij wie berust de leiding van het jachtcomplex, wie bepaalt de bestemming van het jachtveld, wie bezorgt de verdeeling der uit de jacht voor het jachtcomplex opgekomen gelden, wie vertegenwoordigt in het algemeen het complex in- en buiten rechte enz.? Toch is dit vraagstuk ongetwijfeld van minder belang, dan de andere quaesties, die zich bij de complexen-regeling voordoen, omdat, hoe verschillend de beantwoording dezer vraag in de onderscheidene wetten ook moge uitvallen, toch de gemeenteterritoriale basis van het Duitsche en Oostenrijksche complexen-stelsel onaangetast blijft. Het gemeentebestuur moge zelf met de leiding van het jachtcomplex, dat uit het gemeente-territoir gevormd is, belast zijn, of daarvoor moge een lichaam ad hoe zijn in het leven geroepen, het gemeente-gebied is en blijft de territoriale eenheid van de complexen-regeling.

Afgezien van eenige kleine uitzonderingen huldigen de onderscheidene Duitsche en Oostenrijksche jachtwetten een van twee stelsels betrelfende de leiding der jachtcomplexen, die, om zoo te zeggen, lijnrecht tegenover elkaar staan. Het eene stelsel schept eene associatie van ingelanden en deze associatie regelt op het complex de uitoefening van het jachtrecht; in het andere daarentegen

gemeentelijk jachtcomplex in verschillende deelcomplexen gesplitst is, voor ieder daarvan een afzonderlijk verdeelingsplan worden opgemaakt. De gelden, uit de jacht in zoo'n deelcomplex opgekomen, blijven voor de ingelanden in dat deelcomplex voorbehouden, „da der Pachterlös verschieden gross sein kann." Anders, m. i. terecht, Schenkel, t. a. p. bl. 29 en Poll we in, t. a. p. bl. 70 en 71.

Sluiten