Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de veranderde toestanden en om de voordeelen van de jacht meer tot hun recht te doen komen, verliet de Luxemburgsche wet het Germaansche rechtsbeginsel en ging hij in zijne nieuwe regeling uit van een „principe d'association". Niet in het zelf scheppen van jachtcomplexen, maar in het uitoefenen van een zijdelingschen drang, om zulke jachtcomplexen vrijwillig te vormen, zocht de wetgever aan de algemeen gevoelde bezwaren tegemoet te komen. Dezen drang vond hij in eene beperking van de uitreiking van jachtacten. Artikel 2 der jachtwet toch bepaalt, dat eene jachtacte slechts mag worden uitgereikt, behalve aan hen, die eene zekere som in bepaalde belastingen betalen, aan hen, die liet „droit de chasser" hebben op eene oppervlakte van ten minste 200 H. A., gelegen in dezelfde gemeente „ou dans des sections adjacentes de communes voisines" ')? of op de gronden „d'un seul tenant" van ten minste 25 H. A. De bedoeling van deze bepaling is dezelfde als ten grondslag ligt aan hetDuitsche complexen-stelsel, namelijk om de jacht slechts toe te staan op een terrein, dat eene economische uitoefening van het jachtrecht toelaat. De eigenaar van kleinere gronden kan dus geene jachtacte krijgen en mist zoodoende de persoonlijke qualificatie tot de jacht, die met het zakelijke recht moet samengaan, wil er van uitoefening van het jachtrecht sprake kunnen zijn. De eenige uitkomst is voor hem daarom gelegen in eene vrijwillige overeenkomst met naburige grondeigenaren, die in denzelfden toestand verkeeren, tot vorming van een jachtcomplex, waarop zij te zamen de jacht verpachten of dat zij bejagen of doen bejagen.

1) Eene soortgelijke bepaling kwam voor in het avant-projet van een projet de loi sur la chasse van 1878. („droit de chasser sur des terrains d'une contenance de 200 hectares au moins, situés dans la même commune, ou dans des communes adjacentes,.... )

Sluiten