Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B. Nederland ').

Korten tijd na den val van het Fransche bewind en het herkrijgen onzer nationale zelfstandigheid, kwam ook onze eerste nationale jachtwet2) tot stand3). De jachtwet van 11 Juli 1814 had ten doel: „vooreerst het instandhouden der jagt, dat is, de aanwending eener waakzame zorg om de wildsoorten, welke hier te lande worden gevonden, te behouden, en daartoe in den tijd der voortteling ongemoeid te laten; ten andere, de algemeenmaking van het jagtvermaak, voor zoo ver dit met dat behoud der zaak zelve en met het inachtnemen van goede orde te genieten zij 4).

Om het jachtbedrijf nu zoo algemeen mogelijk te maken, bracht de wet van 1814 het publieke jachtveld, dat zich in de eerste plaats zou uitstrekken over de „wildernissen, bosschen, duinen, heigronden en andere landen, tot 's lands domeinen behoorende," tenzij de Souvereine Vorst zich de jacht op die gronden voorbehield of door verpachting of anderszins aan anderen afstond. Het publieke jachtveld strekte zich echter nog verder uit. Alle gronden in privaat eigendom, die niet door de jachtgerechtigden werden voorbehouden en geregistreerd, zouden er eveneens toe behooren, met uitzon-

li B a u e r, t. a. p. bl. XI noemt het jachtrecht het „Stiefkind unserer Rechts wissenschaft." Indien wij de litteratuur betreffende het jachtrecht in Nederland vergelijken bij die in Duitschland, dan is voor Nederland de naam van stiefkind zeker nog te mooi. Degenen, die zich bezighouden met de studie van het jachtrecht, bewegen zich in den regel alleen op het gebied der rechtsgeschiedenis, terwijl de litteratuur over het hedendaagsche Nederlandsche jachtrecht beperkt is tot een paar dissertaties en eenige tijdschrift-artikelen.

2) Wet, houdende bepalingen op het stuk der jagt en visscherij, gearresteerd den 11 Julij 1814 no. 29 (Staatsblad no. 79).

3) Verg. bl. 20 noot 2: de heerlijke jachtrechten worden in dit eerste deel mgner studie geëlimineerd.

4) A. H. Yerster van Wulverhorst, Geschiedkundigeaanteekeningen over het jagtwezen, sedert de vroegste tijden (1840), bl. 91.

Sluiten