Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dering alleen van lusthoven, waarin geschoffelde lanen waren of die met staketsels, rasters of slooten omgeven en daardoor kennelijk van open velden of bosschen onderscheiden waren.

De grondeigenaar, die zijne gronden wilde maken tot eene privatieve jacht, kon zich dus het jachtrecht bij uitsluiting van ieder ander voorbehouden, maar moest daartoe aan verschillende formaliteiten voldoen; in de eerste plaats moest hij zijne gronden behoorlijk doen omschrijven en daarna een verzoek om registratie richten tot den houtvester '). Na deze registratie moest hij zijn grond doen afzetten met „palen, gesteld op de uithoeken, en zulks op zoodanige afstanden, als door de Provinciale Staten, naar lokale situatie, zullen noodig geoordeeld worden; —op deze palen, die eene bekwame dikte behooren te hebben, en ten minste vijf voeten boven den grond moeten uitsteken, of, op borden aan dezelve vast te hechten, zullen moeten gesteld worden de woorden: privative jagt van, met den naam van den eigenaar"2). In deze privatieve jachten mocht geen derde jagen zonder vergunning van den eigenaar (art. 48. 4°).

Aan het publieke jachtveld waren eveneens onttrokken de eendenkooien en zwanendriften3), die niet mochten worden opgericht zonder de toestemming van den Souvereinen Vorst (art. 27). De eendenkooien behandelde de wet geheel als privatieve jachten en zij eischte dan ook hare afpaling. Dit volgt niet zoozeer uit de woorden „moeten doen

1) Art. 16 lid 1 j°. art. 8 lid 2.

2) Ingeval van verpachting der jacht door den eigenaar van den grond moest op de borden behalve den naam van den eigenaar ook die van den pachter voorkomen (art. 17).

3) De zwanenjacht ia in de wet van 1814 opgenomen „op de bestaande antecedenten en om eenige verwantschap". Het doel is eenvoudig het verkregen van pennen, vederen en dons. Verg. V erster, t. a. p. bl. 86 noot c.

12

Sluiten