Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In dit ontwerp werd zonder eenigen twijfel het jachtrecht beschouwd en behandeld als een regaal. Dit regaliteits-beginsel zette reeds de considerans van het wetsontwerp zoo scherp mogelijk op den voorgrond: „Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat, volgens de oude herkomsten in deze Landen, het regt tot de jagt beschouwd is, te zijn verbonden aan de souvereiniteit; dat hetzelve gevolgelijk door niemand zonder bijzondere concessie van den Souverein kan, noch behoort te worden uitgeoefend enz."

Lokte dit beginsel reeds in de Centrale Afdeeling ') een sterk verzet uit, nog heftiger was de aanval op het ontwerp bij de behandeling in de Tweede Kamer. De Belg Serruys maakte zich in de vergadering van 3 Maart 1818 tot tolk van de tegenstanders tegen de grondslagen van het regeeringsontwerp, dat door den Minister van Justitie van Maanen werd verdedigd. „J'y ajouterai," sprak Serruys, „que, par sa nature, la chasse est un droit inhérent a la propriété, ou plutót a la jouissance de la propriété que la Loi fondamentale garantit a chaque habitant, et qui serait violée s'il pouvait être permis a un tiers d'y exercer la chasse sans 1'autorisation, ou le consentement du propriétaire du fonds. Pour se convaincre que le droit de chasse n' est pas une prérogative de 1'autorité Royale, il suffit de lire les articles qui composent la section sixième du chapitre 2 du pacte social, intitulé: De la prérogative Royale. Le droit de chasse n'y est pas nommé parmi les prérogatives Royales qui y sont exprimées, et sont 1'objet particulier et déterminé de cette section" *). Bovendien was het ontwerp in flagranten strijd met artikel 164 van de Grondwet van 1815, waarbij bepaald werd, dat „ieder ingezeten wordt gehandhaafd bij het vreedzaam bezit en genot zijner eigendommen". De tegen het ontwerp aangevoerde bezwaren waren van zoo ernstigen

1) Bijlagen 1817—1818, bl. 365.

2) Handelingen 1817—1818, bl. 279.

Sluiten