Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zou daarvan het gevolg zijn voor de uitoefening van de jacht, indien het ontwerp tot wet werd verheven? Zou de korte jacht op die kleine verspreide perceelen reeds met zeer vele bezwaren gepaard gaan, de lange jacht zou door het nieuwe stelsel ten eenen male onmogelijk gemaakt worden; slechts eenige eigenaren van gronden van eene buitengewone grootte zouden nog de lange jacht kunnen beoefenen. Het nadeelige gevolg daarvan zou zijn, dat de jacht als sport gevoelig werd getroffen. Een publiek jachtveld was daarom niet alleen noodig en wenschelijk voor de beoefenaren der jacht, die geen grondeigendom van eenige beteekenis hebben, maar evenzeer als regel voor de groote grondeigenaren.

Met het aantal beoefenaren der jacht zou ook het inkomen, dat de schatkist uit de jachtacten geniet, uiteraard sterk verminderen. Het pachten van de jacht op verschillende kleine eigendommen zou dit bezwaar niet voldoende kunnen keeren; het was bijna wiskunstig zeker, dat het getal der jachtbeoefenaren sterk zou afnemen, want — en daarmede raakten de tegenstanders aan een nieuw bezwaar — door de invoering van het grondeigendoms-jachtrecht-stelsel zouden verschillende categoriën van personen het jachtrecht verliezen, die het onder het publieke jachtveld-stelsel wel hadden gehad. Onder deze categoriën waren slechts te noemen de meeste militaire oflicieren, de minvermogenden en de burgers der steden. Deze allen zouden van hunne liefhebberij worden beroofd en dit kon en zou aanleiding geven tot overtredingen en bovenal tot weerzin tegen de wet.

Maar, zoo vroeg bij slot van rekening de afgevaardigde Van Dam van Isselt: waarom de rechten van den grondeigenaar op de jacht op zijn grond zoo vast neergelegd als in het ontwerp is geschied? „Zoo ik volgens art. 625 van het Burgerlijk Wetboek wil gebruik maken van mijn eigendom zoo als ik het goedvind, wie zal mij dan beletten om aan ieder het regt te geven op mijn grondgebied te

Sluiten