Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jagen ? Waarom toch wil men aan de grondeigenaars regten opdringen, die zij niet verlangen? Waarom toch wil men ze gelukkig maken tegen hun zin?"1).

In de eerste plaats bestreed de Minister, wiens contraseign de wet van 1852 draagt, de opvatting, dat de wet van 1814 vereenigbaar zou zijn met artikel 641 B. W. Het was immers strijdig met de beginselen, die ten grondslag lagen aan dit artikel, dat de grondeigenaar volgens de wet van 1814 aan de eischen van registratie en afpaling moest voldoen, indien hij de jacht op zijn grond wilde uitoefenen, waartoe artikel 641 hem reeds het recht gaf. „Ik weet wel, de wet kan het regt van den eigenaar beperken, maar de beperking moet dan toch geregtvaardigd zijn. Zou het niet eene onregtvaardige beperking zijn, indien men voorschreef: gij hebt een tuin, een landeigendom, een akker, maar zorg af te sluiten, anders zal iedereen het regt hebben, daarop te wandelen. Of kan men zeggen, dat hij, die deuren of hekken niet digt houdt, zijn akker, zijn tuin aan het publiek prijs geeft? Wanneer art. 641 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt: het regt om zich het wild toe te eigenen, behoort bij uitsluiting aan den eigenaar van den grond, ik geloof het is dan in strijd met dit beginsel, te zeggen: zoo de eigenaar niet bijzondere maatregelen heeft genomen, dan zal dit regt worden uitgeoefend door een ieder die goedvindt. Mij dunkt, het is art. 641 omkeeren" 2). "Wilde men daarom artikel 641 niet een wassen neus laten blijven, zooals het onder de werking van de wet van 1814 steeds was geweest, dan moest de wetgever bij de nieuwe regeling van het jachtrecht het publieke jachtveld loslaten.

Maar ook de andere bezwaren, door de verschillende af-

1) Handelingen 1851—1852 bl. 576 en 577.

2) Handelingen 1851—1852, bl. 583; De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van Mr. J. R. Thorbecke, tweede deel (1901), bl. 163 en 164.

Sluiten