Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alle deze pogingen, die de strekking hadden om den eigenaar een vérstrekkend doodingsrecht op zijn grond te geven, in het bijzonder met het oog op de wildschade, zijn evenwel mislukt, zoodat de wet van 1857, in haar stelsel van jachtgerechtigdheid ongeschokt, nog steeds op eene radicale herziening wacht. Voor deze herziening heeft de Tweede Kamer zich op 7 Maart 1902 bij de openbare behandeling der motie - H e 1 s d i n g e n reeds in beginsel uitgesproken door de aanneming van de motie, die door den tegen woord igen Minister van Financiën, Mr. Kolkman, werd voorgesteld tegenover die van den heer Helsdingen. In deze motie verklaarde de Kamer, dat zij van oordeel was, „dat wijziging der Jachtwet noodzakelijk is, en dat wettelijke voorschriften behooren te worden gemaakt omtrent vergoeding van schade door wild veroorzaakt."

Naar aanleiding dezer motie is bij Koninklijk Besluit van 11 Maart 1904 N°. 28 eene Staatscommissie in het leven geroepen, waaraan is opgedragen „te onderzoeken welke wijzigingen en aanvullingen de wettelijke bepalingen tot regeling der Jacht behoeven, meer in het bijzonder ter bevordering van de afschaffing der heerlijke jachtrechten en ter verkrijging van eene billijke regeling tot vergoeding van wildschade." Met de benoeming dezer Staatscommissie is de regeling van het positieve Nederlandsche jachtrecht hare jongste phase ingetreden.

durende den loop der beraadslagingen werd de motie gewijzigd, zoodat zij toen lnidde: „de Kamer, van oordeel, dat de tegenwoordige Jachtwet strijdig is met belangen van den landbouw, acht eene grondige herziening daarvan dringend noodzakelijk, en gaat over tot de orde van den dag."

Sluiten