Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

complexen-systeem huldigen, eene zeer oneigenlijke beteekenis toe te kennen, daar het zich oplost in een recht op de opbrengsten der jacht. De gewone beteekenis van het begrip jachtrecht is geene andere dan deze, dat het is het recht, om zich toe te eigenen in het wild levende dieren, hetzij alle, hetzij slechts zekere bepaalde soorten, die de betreffende wetgeving samenvat onder den term „wild". En is het nu geen spelen met woorden, indien aan iemand bij de wet het jachtrecht wordt toegekend, in het eerste het beste artikel der jachtwet nog wel, terwijl de volgende artikelen daaraan een maar toevoegen, die van dat gansche jachtrecht, het recht om te jagen, niets overlaat? Den grondeigenaar wordt het jachtrecht toegekend en in de overgroote meerderheid der gevallen, als regel, mag hij op zijn grond als eigenaar geene enkele jachthandeling verrichten.

Maar wat is dan de reden van het neerschrijven van dat parade-artikel in de onderscheidene wetten, die het jachtcomplexen-stelsel huldigen, van het behoud van een „so inhaltleeres Jagdrecht", zooals de Begründung van de vigeerende Lübecksche jachtwret het noemt? Ook de ontwerper van de Lübecksche jachtwet stelde zich de vraag, of zoo n jachtrecht moest in stand gehouden worden en hij kwam tot een bevestigend antwoord. De reden, waarom hij het wenschelijk oordeelde, dat de jachtwet zich bleef stellen op het fundament van een jachtrecht, inhaerent aan den grondeigendom, was deze, dat men in het omgekeerde geval in strijd zou komen met de „Anschauungen, die seit der Mitte dieses Jahrhunderts bestehen, dass niimlich das Jagdrecht ein Ausfluss des Rechtes am Grunde und Boden sei, und die auch in den Jagdgesetzgebungen der meisten übrigen deutschen Staaten ihren Ausdruck gefunden haben. Eine Aenderung ist jedoch vor Allem auch deswegen nicht angangig, wei! das Biïrgerliche Gesetzbuch davon ausgeht, dass in dei Regel der Grundeigenthümer auf seinem Grund und Boden das

Sluiten