Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden, bestaat daarin, dat in het omgekeerde geval met de mogelijkheid rekening moet gehouden worden, dat gedurende den loop eener jachtpachtperiode zulke privatieve jachten ophouden te voldoen aan de in de wet gestelde minimum-eischen, doordat ze bijvoorbeeld door koop of bij boedelscheiding worden gesplitst. Eveneens kan zich in een stelsel, dat wel privatieve jachten erkent, het geval voordoen, dat een privatieve jager tijdens eene jachtpachtperiode niet langer van zijn voorrecht wenscht gebruik te maken en zijne gronden deel wil laten uitmaken van een jachtcomplex. En omgekeerd bestaat de mogelijkheid, dat gedurende eene jachtpachtperiode eene privatieve jacht wordt gevormd. De buitenlandsche wetten hebben voor deze gevallen verschillende regelingen getroffen, regelingen, die op hare beurt weer niet altijd van willekeur zijn vrij te pleiten. De oplossing echter, waartoe wij zijn gekomen, heeft met al deze mogelijkheden, die ongetwijfeld geene zuiver academische quaesties zijn, maar die zich in de praktijk iederen dag kunnen voordoen en die de wet daarom niet met stilzwijgen kan voorbijgaan, niets te maken: de indeeling van het Rijk in jachtcomplexen door de Kroon kan zijn eene indeeling voor altijd en in de wijze van indeeling van het land in jachtgebieden zelf ligt althans niet de noodzakelijkheid van eene voortdurende wisseling van de grenzen dier gebieden opgesloten.

Een derde, zij het ook negatief uitvloeisel van het niet in het leven roepen van privatieve jachtvelden is hierin gelegen, dat de wetgever ook niet staat voor de moeilijkheid, of en in hoever de privatieve jager aan banden moet gelegd worden bij het recht van uitoefening van de jacht, dat de wet hem toekent. Wel is waar maken de verschillende buitenlandsche wetgevers zich in het algemeen daar niet druk over, maar juist daarin ligt weer eene onverdedigbare afwijking van het uitgangspunt der complexen-regeling. De reden toch, waarom de buitenlandsche wetten gronden,

Sluiten