Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de bepalingen betreffende de schoontijden en andere jachtpolitiaire voorschriften blijven er buiten toepassing. Reeds de oude schrijvers dachten zich in dien geest de rechtspositie der gevredigde gronden. S. Medices schreef zoo: ,,Sexto quaeso, quando dicatur furtum committi in venatione? Respondeo quando sylva foresta, vel nemus essent muro circumacta, vel vallata saepe, ita, quod ferae adeo essent inclusae, ut non possint exire et ammodo sint sub custodia, quia tune venantes furtum committerent ). Eene occupatie-handeling door een daartoe niet gerechtigde vormt dus in casu een furtum.

Indien dit zoo is, indien de dieren in een te hunnen opzichte gevredigd terrein de eigenschap van res nullius hebben verloren en het eigendom van den eigenaar van hetteriein zijn geworden, zoodat jachthandelingen te hunnen aanzien onbestaanbaar zijn, wat dan te zeggen van een artikel, dat aan den eigenaar van zoo'n gevredigd terrein het recht tot uitoefening der jacht toekent? Tot op eene zekere hoogte kan den eigenaar van zoo'n terrein natuurlijk dit recht worden toegekend, namelijk voor zoover betreft de jacht op gevleugeld wild. Een terrein moge gevredigd zijn voor het zgn. Haarwild, ten aanzien van het vliegend wild heeft deze vrediging geene kracht: fazanten en patrijzen bijvoorbeeld vliegen over de vrediging heen, zoodat deze ten aanzien van dat wild ook niet de daad van toeeigening vormt, waardoor het van res nullius in voorwerpen van eigendom overgaat. In de fout nu, dat zij bij de regeling der rechtspositie van gevredigde terreinen niet voldoende tusschen loopend en vliegend wild onderscheiden en ten aanzien van beiden den eigenaar een recht tot uitoefening der jacht toekennen, vervallen bijna alle Duitsche en Oostenrijksche wetten. Hiei juist schuilt de kardinale fout, want daardoor wordt aan iemand het recht toegekend, om te jagen op dieren, waar-

1) t. a. p. bl. 66.

Sluiten