is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der liefde in de natuur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal ieder uwer kinderen worden. Elke mensch. De koning en de bedelaar. Spinoza en Hieronimus Jobs. De heilige en de gauwdief

Gij wordt nog eens, wat gij waart. Uwe voorouders waren dat alles. Terwijl gij „wordt", dat is : u als individu afscheidt van den reuzenboom der menschheid, vliegt uwe eigene ontwikkeling nog eens met den stormpas de gansche lijn door, van den bacil tot aan den mensch. Het is waar: de zaak gaat in vele opzichten meer dan snel, zoo snel, dat gansche lijnen zich nog slechts als half in een nevel, als schimmen, voordoen. De af te leggen weg is te reusachtig lang, er zou zelfs in de dolste en wildste vaart nog te veel tijd mede heengaan. En zoo wordt er veel overgeslagen, veel uitgewischt. Maar zeer merkwaardig : niet het wezenlijkste. Vast als metaal staat daar, vóór alles, de oudste baan, als bleven de oudste zaken met de taaiste volharding bestaan. Zij zijn dan ook de gewichtigste. In de eerste plaats moet uit de twee versmeltende afzonderlijke cellen zich de grondstam van de cellengemeenschap ontwikkelen en daaruit de eerste aanleg der organen.

En thans eerst slaat gij een blik in het geheele mysterie.

Begrijpt gij nu, waarom ik u naar het Cambrische strand en nog verder meegevoerd heb ? Ziet gij het opduiken, dat strand, en het Jurastrand, waar de vogelbekdieren en buideldieren leefden, en lang vóór beiden het oerstrand met de gastraea, den oervolvox, de oercelligen, — opduiken, daarbinnen in de diepte, in de tooverachtige duisternis van het menschelijke moederlijf zelf — en daar tegenwoordig nog de dingen beheerschen, het diepe, donkere, zwarte aardrijk beheerschen, waaruit de rozengarf van het jonge menschelijke lichaam oprijst . . . . ?