Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Der ungewordne Gott,

Wird mitten in der Zeit, Was er nie war noch ward, In aller Ewigkeit.

Angelus Silesius.

Eene droomerjj in het dennenwoud.

Een dennenbosch in de éénzaamheid van den zomer. Gij ligt op uwen rug uitgestrekt in het heidekruid en staart naar den blauwen hemel door de spleet, die de spoorwegdijk in het woud geslagen heeft. Overal in de verte : alles bosch. Hooge stammen met grove, donkerroode barsten. Daarboven het wollige, grijsgroene weefsel van naalden, te midden waarvan de zon allerlei gloeiende, bronskleurige lichtjes werpt. En beneden, waar gij ligt, bijna een tweede kleiner sprookjeswoud, gevormd door het schelgroene kantwerk van een onafzienbaar tapijt van varenplanten. In de diepten van het woud een goudgrijze damp, als de hitte zelf, die over alles trilt.

Gij ligt en peinst, peinst over al de zachte stemmen van het woud, over zijn nauwelijks hoorbaar en toch voortdurend kloppend en bedrijvig leven. Leven, overal leven. Organisch leven. Dierenwereld. Plantenwereld. Vinken fluiten zachtkens dan hier, dan daar in het kreupelhout. De koekoek, hierboven afgebeeld, roept voorbij woud en nog eens woud, onmetelijk ver af, als een verborgen klokje. Vóór het blauw van de zichtbare luchtstreep schiet de witte onderzijde van een zwaluw plotseling voorbij. Een eekhorentje snelt, als een roode vlek, die loslaat, van den éénen stam naar den

Sluiten