Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die hier omhoog stegen tot de plant, tot het varenkruid, tot den dennenboom, tot de Erica van dezen boschkant. Ginds groeien zij, door eene verdeeling in maag en huid, door eene bepaalde, andere arbeidsverdeling, in verband met eene andere wijze van ademing en voeding, op tot de gastraea, tot het oermaagdier met mond, maag en huid. En dan boven de gastraea het geheele, veelvormige dierenrijk, ladder naast ladder, — totdat eindelijk op eene hoogste sport de mensch met het lichtende zonneoog zich verheft.

Gord uwe lendenen, — wij klimmen nu op deze dierlijke ladder tot voorbij de gastraea mede naar boven.

De oudste oervormen verzinken weer in den nevel onder ons.

Naast ons verdwijnt in de schemering ook de onmetelijke evenwijdige ladder der plantenwereld.

De hoogere plant is door eene diepe klove gescheiden van het hoogere dier, aan gene zijde van volvox en gastraea. De plant neemt uit de lucht het koolzuur op en geeft de zuurstof, dus juist de bron van kracht voor de dierlijke stofwisseling, af. Zij wortelt in het aardrijk en verwerkt in haar lichaam onmiddellijk minerale stoffen, zooals het dier dit nooit vermag. De cel van het dier heeft, voor hare eeuwige vernieuwing en groei, de reeds organisch voorbereide stof noodig, hetzij dierlijke stof zelf, hetzij plantenstof — de onmiddellijke verwerking van minerale stoffen tot organische lichaamsbestanddeelen is haar niet meer gegeven. Van de plant in den stamboom scherp gescheiden, blijkt het dier alzoo tevens van de plant afhankelijk te zijn in de voorwaarden van zijn bestaan. Maar het dier is daarbij toch niet het lagere, doch in alle opzichten het hoogere lid. Het is het leven, dat niet meer de diepten van den aardbodem en diens duistere levensgeesten voor zijn bestaan noodig heeft, maar het verwerkte, helder verlichte leven zelf. Uit het dier in zijne hoogste ontwikkeling groeit dan de mensch op, die het dier uit een geestelijk

Sluiten