Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De lintworm.

.Die Ungestalten seh ich an Als irden-schlechte Töpfe,

Nun stossen sich die Weisen dran Und brechen harte Köpfe.

Uit den Faust van Goethe (2e deel).

Ik grijp uit den voorraad een waar gedrocht van den eersten rang, waarvan gij veel pleizier zult beleven: den lintworm.

De lintworm is voor ons, menschen, eigenlijk een booze kameraad. Hij behoort tot de schadelijkste uitzuigers van ons lichaam en zijne levenswijze in het duistere darmkanaal stempelt hem bovendien tot een waar type van het onsmakelijke. En toch gaat het met hem evenzoo als met het menschenvleesch in de anecdote. De zendeling ijvert tegen het menscheneten als eene zonde en tegelijk als een bewijs van slechten smaak. Neen, zegt de berouwvolle wilde, in eene laatste poging tot verzet van zijn barbarengeweten ; het moge zonde zijn, maar dat het slecht zou smaken, daarover kunt gij nu eigenlijk niet meepraten. De lintworm is onze doodsvijand, maar door te beweren, dat het daarom op zich zelf geen interessant schepsel is, zou men werkelijk bewijzen, niets van de zaak te begrijpen.

Van het standpunt der naïeve natuurbeschouwing, die zich om geen oorlogstoestand bekommert, is de lintworm één der leerrijkste schepselen der aarde, een waar natuurwonder. Zoowel natuuronderzoekers, als philosofen hebben er de oneindige stof in gevonden voor den vlijtigsten arbeid. Sedert langen tijd kronkelt hij zich reeds door de geschiedenis der

Sluiten